Het prachtig onderhouden kerkje, de karakteristieke begraafplaats rond het kerkje, de oude pastorie, het oude lokaaltje en het terpdorpje zelf zijn weinig anders dan in de tijd van Francois Haverschmidt. Wandelend door het dorpje en de landweggetjes, zittend in de kerkbankjes, kunt u de sfeer nog proeven van 150 jaar geleden.)

Francois Haverschmidt
(Piet Paaltjens)(geb. 14-2-1835, overl. 19-01-1894)

 

Zietdaar dan alles bij mekaêr
Wat in de tijd van drie à vier jaar
De droeve zanger heeft gezongen.
Bewaart het trouw en bepeinst het goed,
Want in lang is er niet zulk zuiver bloed
Uit een brekend dichterhart gesprongen.
Bepeinst het goed en vergeet het niet,
Want verstomd is van nu af Piet Paaltjens' lied

Uit: Verspreidde poëzie,
circa 1858

Het monument

Monument gemaakt door Hillie van der Gang en geplaatst bij de toren van de kerk in 1994 ter gelegenheid van de herdenking van de 100ste sterfdag van Fr. HaverSchmditOp het monument gemaakt door Hillie van der Gang, dat u vlak buiten het kerkje van Foudgum kunt bewonderen staat het gedichtje "het heertje met z’n witte das", te lezen. Dit monument is geplaatst in 1994, ter nagedachtenis aan de honderdste sterfdag van Francois Haverschmidt. Het is een opengeslagen boek met daaronder een gebroken hart, dat de twee kanten laten zien van de dominee/dichter. Karel Haverschmidt, de achterkleinzoon van Francois Haverschmidt heeft dit monument in 1994 onthuld.

 Predikantwens

Francois Haverschmidt werd geboren op 14 februari 1835 Valentijnsdag), in Leeuwarden op Voorstreek 80, zoon van Nicolaas Theodorus Haverschmidt ( apotheker en wijnhandelaar) en Geeske Bekius. Zijn overgrootvader heette Haver en kwam uit Duitsland (Pommeren). Zijn grootvader werd in Nederland geboren en opgevoed door een oom die Schmidt heette. Hij nam de naam van deze oom aan en zo ontstond de naam HarverSchmidt, geschreven met een hoofdletter S. De hartenwens om predikant te worden ontstond toen hij als kleine jongen logeerde bij zijn grootouders. Zijn grootvader, Francois Bekius, was predikant in Dantumawoude. Al op jonge leeftijd schreef Francois jolige gelegenheidsgedichten.

Studie

Klik hier om naar een overzicht te gaan met gedichten van Fr. HaverSchmidt (Piet Paaltjens)Francois doorliep het gymnasium in Leeuwarden en legde in 1851 het staatsexamen af. Uit die gymnasiumtijd zijn nog manuscripten bewaard gebleven van verhalen, gedichten en voordrachten die deels ongepubliceerd zijn. In 1852, hij was toen 17 jaar, begon hij aan zijn studie theologie in Leiden, waar hij in 1858 afstudeerde. Hij woonde op de Hogewoerd 63, boven een doodbidder. Ook daar is een gedenksteen aangebracht. Omdat hij opvallend snel liep, kreeg hij de bijnaam 'haas'. 's Middags plachten Francois en zijn vrienden te eten bij Vater Muller in de Breestraat, waarna ze al snel in een kroeg belandden. Ook op feesten kwam hij graag. Daar bespeelde hij de Turkse trom of declameerde hij beurtelings vrolijke en droevige balladen. Een typisch trekje van de romanticus of eerder nog melancholicus die hij was.

Zijn studiejaren beschouwde hij als de beste tijd van zijn leven; Een uitgave van Snikken en Grimlachtjes: Klik hier om naar een aantal voorwoorden te gaan die in verschillende drukken hebben gestaande eerste gedichten, die later als ‘Snikken en Grimlachjes’ beroemd zouden worden, publiceerde hij onder het pseudoniem Piet Paaltjens in studentenalmanakken. ( Voor afbeeldingen van andere uitgaven klik hier ) Het is waarschijnlijk de bekendste dichtbundel uit de Nederlandse literatuur; talloze malen (52 x) herdrukt en in andere talen vertaald. Weinigen weten dat Haverschmidt daarnaast ook een vrij omvangrijke oeuvre aan proza heeft nagelaten, bestaande uit preken, verhalen, voordrachten, reisverslagen enzovoorts.Hij genoot daarnast een grote bekendheid en ontving uit het gehele land uitnodigingen voor spreek en preekbeurten.

Meervoudige persoonlijkheid

Bij Haverschmidt is in Leiden zijn tweede persoonlijkheid, Piet Paaltjens, ontstaan, als een uitlaatklep voor zijn verdrongen gevoelens van onzekerheid en vervreemding. De studietijd in Leiden was dus helemaal niet zo vrolijk en zorgeloos! Vaak moet hij wanhopig zijn geweest als hij alleen was op zijn kamer aan de Hoge Woerd/ hoek Koensteeg, daarom ook zijn vlucht in een druk sociaal studentenleven. Toch zal hij later zijn studententijd in Leiden beschrijven als zijn beste tijd waarnaar hij regelmatig terugverlangt. 

uit: Collectie Letterkundig Museum, Den Haag. Auteur onbekend. In Memoriam d.d. 1-2-1894De nieuwe vrijzinnige theologie, waarvan Leiden toen het centrum was, leerde hem iets totaal anders dan hij had verwacht. Het waren colleges die hem, jonge student van 17, beschermd opgegroeid, tot in het diepst van zijn ziel schokten! Want de Vader in de hemel bestond niet echt…Jezus was ook maar een mens geweest. En de bijbel was niet onfeilbaar en stond zelfs open voor kritiek. Het was allemaal kennis die hij lange tijd verdrongen heeft om normaal te kunnen functioneren. Na zeven jaar studeerde hij in 1858 af met een schuld van f. 700,00 ontstaan omdat in die tijd studenten hun schulden pas aan het einde van hun studie hoefden af te betalen. Met pijn in het hard nam hij afscheid van zijn studententijd en van Leiden.

Naar Foudgum

Na een proefpreek in Briels Nieuwland waarop geen beroep volgde verblijft Fr. HaverSchmidt bij zijn ouders in Leeuwarden, tot dat de gemeente Foudgum vrijkwam. In juli 1859 deed hij zijn intrede in Foudgum. O, hij wilde nog steeds predikant worden, maar besefte dat het een zware, eenzame levensopgave was. Vooral de eerste tijd moet Fr. HaverSchmidt zich bijzonder verdrietig hebben gevoeld, veel treuriger dan uit zijn voordracht blijkt die hij twintig jaar later in Schiedam hield, waarin hij bijna vriendelijk over zijn eerste gemeente sprak.

Als de jonge Haverschmidt ook maar het meest bescheiden ideaal had gekoesterd voor zijn betrekking in Foudgum, dan moet hij wel bitter ontgoocheld zijn geweest. Hij was pas student af en werd in 1859 overgeplaatst naar een klein afgelegen boerendorpje om daar predikant te wezen. Dit werd een hele ommekeer in zijn leven. Het dorpje Foudgum was zó klein dat het eigenlijk geen dorpje mocht heten. Het was tegen een terp gebouwd. Voor een overzicht van alle predikanten vanaf 1567 klik hier.

Hoe kon hij de geleerde theoloog gebruiken om zijn jeugd droom te realiseren? Hoe kon hij in zijn verstand in overeenstemming brengen met het kinderlijke geloof in zijn hart en daar een boodschap van liefde aan ontlenen voor de kudde die aan hem was toevertrouwd? Daarom heeft Francois, Piet Paaltjens, zijn bleke metgezel Piet Paaltjens, nog zo nodig gehad in die duistere uren. Zó dringend zelfs dat hij hem op het strand in Holwerd nog eenmaal heeft teruggezien. Maar tot een echte ontmoeting is het niet gekomen. Toen Francois op hem afrende, stapte Piet in een boot en gleed weg naar Schiermonnikoog en liet een tas met gedichten achter: met andere woorden, héél wat van die beroemde gedichten zijn dus niet alleen in Leiden, maar ook in Foudgum ontstaan!

(wat vond francois zelf van Foudgum ? klik hier)

Gemeentewerk

Haverschmidt vond het geen onaangename bezigheid om de mensen te bezoeken. Hij zegt hier later over:

Meer dan één woonde veraf en modderpoelen of grondloze wegen maakte hun verblijf bij tijd en wijle ongenaakbaar, maar hij was jong en met een stevige stok en een paar ferme laarzen wist hij hun wel te vinden. Daar een niet al te langgerekt, opgewekt praatje, boeken of plaatjes soms ter lezing achterlatend, bracht hij hier en daar eens een extra bezoekje. De laatst gehouden preek kwam dan ter sprake.Roerde ik tijdens deze bezoeken de godsdienst aan dan vervielen zij in een zwaarmoedig gezeur of men zweeg wantrouwend. Het lag toch al in de landaard de ‘vreemde’ met zeker achterhoudendheid te bejegenen. Het allerergste was wel als ik in een opgewekte bui aan mijn zucht tot scherts toegaf. Zó onschuldig konden mijn invallen niet zijn of ik merkte aan strakke gezichten en blikken, dat ik helemaal op verboden terrein was geraakt. Geen wonder…er waren mensen bij die van de leer waren dat lachen zonde was!

In werkelijkheid had hij zijn taak met lust en opgewektheid aanvaard, maar zag zich in zijn verwachtingen om zijn kudde geestelijk te ontwikkelen, teleurgesteld! ‘De schapen knabbelen wel aan de bast van de boom, maar dringen niet verder door’. Vaak werd hij voor moeilijkheden bewaard door zijn eenvoudige, vrome prediking en zijn minzaamheid en vriendelijkheid in de omgang tegenover de rechtzinnige leden van zijn gemeente.

Hij was geen slechte, althans geen trage herder, de kudde was klein genoeg om haar te overzien. Dat heeft hij altijd de positieve kant van zijn werk in de Foudgumer dorpsgemeente gevonden!

Meer informatie uit verzamelde artikelen: