De Foudgumer ziekte
door Geert Mak

NRC Handelsblad, 26 november 1988

 

Er heerst 'substantiele onvrede' onder gereformeerde en hervomde predikanten. Van iedere tien dominees wil er één zijn ambt neerleggen en zijn er twee op zoek naar een functie buiten een gewone gemeente, als godsdienstleraar bijvoorbeeld of als pastor in een ziekenhuis. Er wordt ook steeds meer verwacht van een moderne dominee, en tegelijk is zijn gezag sterk aangetast. Over drank, echtscheiding en de zakelijkheid van het kerkbestuur. Problemen in de pastorie: de wrongengel in het glazen huis.

Als het in de stad motregent, dan hagelt het in de Zwarte Hoek. De plaatsen heten Raard, Wetzens en Moddergat, de schapen staan met de kont in de wind, rode verfvlekken op de billen, hier en daar ligt een boerderij en voor het overige is de wereld zo plat als een pannekoek. Dit is Foudgum, zondagmorgen 20 november 1988, het meest noordelijke stuk van Friesland - en achter de rand is er niets meer. Vanaf de zee komt de ene vracht wolken na de andere aanjagen. Natte sneeuw, een paar ganzen in de lucht. Uit het oude kerje op de terp klinkt gezang, begeleid door moeizaam orgelspel. "Wie is de mens die op zal gaanen voor Gods heilig aanschijn staan",  zingen de mannen en vrouwen in hun grijze winterjassen, en: "Uw wijsheid en Uw welbehagen. Bepalen 's mensen levensdagen. En wijzen hem zijn woonplaats aan".

Dominee Gerrit Bilker preekt. Aan de tekst is hij al twee weken geleden begonnen, en sindsdien heeft hij er almaar aan gevijld. "Zie uw God wordt tegenover ons gezet"; de gemeente gaat er eens rustig voor zitten, een pepermunt achter de kiezen. In de consistorie naast de kerk hang een bord met de namen van alle predikanten die de gemeente in de loop der eeuwen gediend hebben, van Johannes Wisop (1567) tot Nicolaas Lankhorst (1855-1858), Francois Haverschmidt (1859 -1863) en hulpprediker Rimmert van der Kooy (171-1974). Stuk voor stuk hebben zij op de kleine kansel gestaan, zich spiegeld in de blinkende olielampen en door het raam de kale, natte boomtakken op de wind zien waaien.

Na de dienst lopen we tussen de graven van de Hiemstra's, de Tania's en de Bosma's, even is de lucht blauw van de startende Opels en Mercedessen en dan is het weer stil rond het tiental huizen en boerderijen daar op die terp. Op de koffie bij de kerkvoogd (red.: Keimpe Kloosterman) praten we over het mestoverschot en de nieuwe Amerikaanse president, over de thermostat van de kerk en over de kat die vanmorgen opeens stijf in de schuur lag: "Ja, zo gaan we allemaal, de dieren en de mensen."

Graanprijzen
Ruim een eeuw geleden diende de jonge Francois Haverschmidt - beter bekend als Piet Paaltjens - hetzelfde Foudgum als predikant. Kersvers uit het vrolijke Leidse studentenleven moet hij er catechisatie geven in hetzelfde beduimelde consitoriegebouwtje dat nu nog tegen de kosterswoning aanstaat. Hij zag er dezelfde spreeuwen en dezelfde vlucht ganzen maar er waren ook winterse, mistige middagen dat hij uit het raam van de oude pastorie alleen maar over het kerkhof kon kijken terwijl zijn dienstmeisje soms 'in haar eenzaam keukentje een deuntje zat te huilen'. Zo streed dominee Haverschmidt toenertijd al tegen de eenzaamheid, de depressie en zijn 'worgengel', zoals hij het later zelf zou noemen.

Het was in die jaren dat hij elke zondagmiddag, weer of geen weer, naar zijn familie in Leeuwarden liep, zijn hondje Snuif achter zich aan, 'met druipende oren en druipende staart', en ooit zou het op zo'n tocht, zoals hij later schreef, zelfs verdrinken in de regen. Dan waren er de begrafenissen - achter de kost, driemaal het kerkhof rond - en de eindeloze visites waar alleen over de graanprijzen en de marktberichten gesproken werd, en waar vooral veel werd gezwegen, thee gedronken, koek en boterhammen werden gegeten en waar de dominee vergast werd op een glaasje wijn uit dezelfde fles waaruit ik op de visite van het jaar tevoren ook al een paar glaasjes had gehad. En op het dorp weten ze nog steeds te vertellen hoe Haverschmidt de dorpsjeugd lesgaf: zittend in de appelboom achter de pastorie, en voor ieder goed antwoord gooide hij een appel naar beneden.

Vandaag, anno 1988, staat de oude pastorie er nog steeds - al woont er tegenwoordig ene Dokkumse bloemenhandelaar. En bij de begrafenissen wordt nog altijd de klok geluid, de doden staan opgebaard in het kerkje en als het zover is word je door je buren gedragen: Eén slag om de kerk met het lijk en één salg zonder. Maar de dominee woont tegenwoordig in een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk van Dokkum en de kerk van Foudgum heet tegenwoordig een 'Samen-op-Weg-gemeente', met één gezamelijke hervormd-gereformeerde kerkeraard en één gemeenschappelijke predikant.

Driehondervijftig zielen, twee keer op een zondag de kerk vol en altijd een volle bak met catechisatie. Een pracht van een plattelandsgemeente, zegt dominee Bilker - ooit bankentfbarikant in Blija maar op grond van 'singuliere gaven' predikant geworden. 'Maar de problemen zijn wel heel anders dan in de tijd van Piet Paaltjens. Het is niet alleen ziekte en door waar je als dominee mee te maken hebt, maar je hebt huwelijksproblemen, generatieverschillen, en de meeste mensen hier gaan heus niet direct naar een maatschappelijk werker of een psychiater. De eerste met wie zij erover praten is vaak toch de predikant.

Het grootste deel van zijn tijd is hij met dit soort zaken bezig. an zijn preek werkt hij twee volle dagen per week. De gemeente is sterk betrokken bij wat er in de wereld gebeurt. Maar driekwart van de mensen hier is en blijft boer. In de tijd van Paaltjens hadden ze het over de marktprijzen, nu over de superheffing en de achteruitgang van het veebeslag. Als je dat niet in de preek verwerkt, laat je je mensen in de steek. Maar je moet wel zeggen waar het op staat. Op 2 november, in de Dankstonddienst, had hij zijn gemeente voorgehouden dat de problemen van het mestoverschot niets waren in vergelijking met de ellende in de Derde Wereld. Daar had hij later wel woorden over gehad, met de kerkeraad.

Verrassing
Bestaat er zoiets als een Piet Paaltjens-complex, een dominees-depressie, een Foudgumer ziekte? De dominee die, net als Haverschmidt, als vrijgezel in de jaren '70 de pastorie van Foudgum bewoonde, moet er iets van gehad hebben. Om de regenachtige winteravonden door te komen vertoonde hij voor de jeugd dia's - zonder veel succes overigens, want de meeste afbeeldingen betroffen zijn geboortedorp, een weinig opwindend oord op nog geen uur fietsen van foudgum. Soms had hij gedroomd. Er komt een verassing in de pastorie, binnenkort, zie hij dan 's ochtens tegen zijn buren. Maar een verrassing hebben ze nooit gezien, tenminste niet daar in Foudgum.

Een Piet Paaltjens-complex? Welke protestantse intellectueel herinnert zich niet de bezoeken aan vrienden of familieleden op verre pastoriën, de wilde tuinen, de tochtige gangen, de vergulde armoede, de onverwachte begrafenissen die ieder uitstapje met de kinderen altijd weer dreigden te doorkruisen, en de gesprekken, vooral de gesprekken, de lange gesprekken over kunst, kranten, boeken, politiek, literatuur, toneel, over alles wat er in de rest van de wereld allemaal verder gebeurde, achter de rand van de pannekoek?

Een domineesdepressie? Er heerst 'substantiële onvrede' onder gereformeerde en hervomde predikanten. Van iedere tien denkt er één dominee er serieus over het ambt neer te leggen en overwegen er twee een functie als predikant buiten een gewone gemeente te zoeken: als godsdienstleraar bijvoorbeeld, of als pastor in een ziekenhuis of inrichting. Zo luide enkele conclusies van het onderzoek 'Aan tijd gebonden' waarop de Groningse psycholoog Jimme Keizer vorige maand promoveerde.

Ook andere bronnen melden dat steeds meer predikanten in toenemende mate te maken hebben met frustraties, teleurstellingen en conflicten. Veel beginnende predikanten lopen stuk zowel in hen gemeentewerk als in hun gezinsleven, in hun persoonlijk leven als in hun geloof. Dat brengt veel verdriet en narigheid, zo concludeert een synodaal rapport van de Neerlands Hervormde Kerk uit 1985. En al in 1979 waarschuwde de begeidingscommissie van predikanten van de Gereformeerde Kerken dat voor een opvallend aantal predikanten en predikantgezinnen het leven in een pastorie nauwelijks is vol te houden is. Hoewel het aantal specialisaties toeneemt, is er voor de meesten die wel zouden willen veranderen geen ontkomen aan de pastorie.

Met een kandidaats- of docteraal theologie is er buiten het kerkelijk circuit nauwelijk werk te vinden, maar bovendien is ook binnen de kerken zelf de mobiliteit de laatste jaren sterk gedaald. Er komen (weer) meer theologen, terwijl het aantal predikantsplaatsen afneemt. Tot voor kort was er toch wel iets mis als je langer dan een jaar of zeven, tien op dezelfde plaats zat. Nu begint vijftien jaar al heel normaal te worden, zegt Jimme Keizer. Iedereen kan nu nog net onder dak komen, maar de komende jaren zal er toch wel een overschot gaan ontstaan.

Volgens een woordvoerster van de vacaturebank voor predikanten van Gereformeerde Kerk is er nauwelijks meer vraag naar dominee's van boven de veertig: Hoe ouder een predikant wordt, hoe meer dienstjaren hij is salaris heeft. Na tien, vijftien jaar kan zo'n predikant nooit meer wegkomen, gewoon omdat hij teveel kost. Terwijl ze dan juist het liefst er uit willen.

De gevolgen laten zich aflezen in de vakbladen van de predikanten: voortdurend wordt geadverteerd met cursussen en ontmoetingsdagen: Levensbeelden in het Pastoraat, Pastorale crisisinterventie, Hoe blijf ik overeind, Stress bij pastores (Noteert u alvast de datum, Nader bericht volgt).

Gescheiden
Het predikantschap is van oudsher een zijns-beroep. Je bent het altijd, en nooit niet. Bovendien zijn de verwachtingen altijd hooggespannen, zowel bij de gemeenteleden als bij de predikant zelf. Het begrip Dienaar van Gods Woord is niet alleen een stuk kerkelijk jargon, bijna alle predikanten geloven ook werkelijk dat ze dat zijn, inclusief de hoofdletters. Je vraagt je wel eens af: wat levert het op? Ben je wel zoveel meer dan een versiering van het leven, zonder welke ze zondags niet rustig koffie kunnen drinken, of trouwen, of doodgaan?

Terug naar startpagina van Haverschmidt