Het noodlot van Piet Paaltjens
door Godfried Bomans

Elseviers weekblad zaterdag 15 februari 1947

 

tekening F. HaverSchmidt uit de studentenalmanak van 1857In het jaar 1936 kwam schrijver dezes voorbij een uitdrager, die hem vroeg een stapel boeken te willen meenemen voor de somma van f. 25,00. Het waren honderd Leidsche studentenalmanakken, van 1814 tot 1914. Op een handkar nam ik ze mee. Hoeveel avonden heb ik sindsdien, bladerend in die vergeelde deeltjes, doorgebracht? Wie niet ongevoelig is voor het aroma van het verleden zal het begrijpen, dat er iets opwindends schuilt in de simpele adresvermelding uit den almanak van 1820: J.R. Torbecke, litt. Stud., Nieuwesteeg; hospes: Eckhardt. Of in het exemplaar van 1824: J. van Lennep (rechten). Breedstraat. Hospes: Fichet. Of 1826: G.J. van de Linde (de latere "schoolmeester"), theologie, Koorsteeg, hospes: De Bruin. En dan 1836: N. Beets, theologie, Breedstraat: hospes: Van 't Hull. 1837: J. Keppelhout (rechten), Rapenburg, bij zijne moeder. Niet zonder ontroering leest men hun onbeholpen "groenenvaerzen"en de schimpscheuten der ouderejaars op deze voorbrengselen van hun bevende pen.

In den almanak van 1852 duikt voor het eerst de naam op van Francois Haverschmidt, student in de theologie, "domicilie hebbende bij v. Ewijk, bidder en aanspreker, Hooge Woerd, hoek Koenensteeg". Het is de later zoo vermaard geworden Piet Paaltjens, de schrijver van "Snikken en Grimlachjes". In niet minder dan zeven achtereenvolgende almanakken van 1852-1858, kan men zijn naam lezen, onverdroten theologie studeerden en altijd boven Van Ewijk, bidder en aanspreker, Hoogewoerd, hoek Koenensteeg.

Het eerste is niets bijzonders: men deed er gaarne lang over in Leiden. Doch een zevenjarig verblijf bij n ploert en op dezelfde kast is iets opmerkelijks. Het doet ons in Haverschmidt vermoeden een uiters inschikkelijk, wat teruggetrokken jongmensch, met een sterke geneigdheid naar hete eenmaal vertrouwde en verworvene. Al deze drie eigenschappen bezat hij.

Zeventien jaar
Nauwelijks zeventien jaar oud kwam Francois Haverschmidt in Leiden, als zoon Tekening F. HaverSchmidt uit Leidse studentenalmanak van 1857van Friese ouders. Behalve uit de gewone humaniora bestond zijn geestelijke bagage uit twee boeken: "Die Leiden des jungen Werthers" van Goethe en "Das Buch der Lieder" van  Heinrich Heine. Wie enige kennis bezit van het geestelijk klimaat dier dagen kan zich den jongen man voorstellen. Het redmiddel is gewoonlijk de jeugd. Men drinkt eenigen tijd uit den bitterzoeten beker der ingebeelde smart en gaat dan over tot hartiger drank. Doch Haverschmidt is nooit boven dien tijd uitgekomen. Hij heeft den gifbeker tot op den bodem geledigd en is er aan gestorven.

Men heeft ontelbare malen getracht het romantisch levensgevoel in een formule te vormen. Naar mijn inzicht komt dit gevoel in wezen neer op een aangeboren besef van het betrekkelijke en vergankelijke, zonder dat dit inzicht een tegenhanger vindt in voldoende religieuze zekerheid. Romantici zijn bijna allen in aanleg religieuze naturen, zonder de kracht te bezitten tot daadwerkelijke godsdienstige beleving.

Haverschmidt koos de studierichting, die wij zijn wezen paste: de theologie. Hij vond er nochtans den steun niet, dien zijn zwakke geestelijke consitutie behoefde. Hij bleef in het diepst van zijn hart een twijfelaar aan den troost, dien hij zelf verkondigde. Een scherp waarnemer proeft dezen twijfel reeds in zijn preeken, doch in zijn brieven spreekt hij zich onverhulder uit. Verstoken van een vaste, innerlijke gewisheid omtrent de bestemming van de mensch en terzelfder tijd gefolterd door de voortdurende vraag naar den zin van het aardsch bestaan bleef hij een riet, door den wind bewogen, ten prooi aan de luimen van het gemoed: Himmelhoch, jauchzend, doch zum Tode betrbt.

Tekening van F. HaverSchmidt uit de Leidse Studentenalmanak van 1857Het is na eenige bezinning duidelijk, dat de studentenjaren voor Haverschmidt zijn gelukkigste tijd geweest zijn. Hij vond er een surrogaat voor de innerlijke vastheid, die hij zoozeer behoefde: de sociale geborgenheid. Opgenomen in de kameraadschap van het Leidsche studentencorps, omsloten door de intimiteit van het oude, wat duffe stadje, gebonden aan de eeuwenheugende tradities van het "eenige Leyden", voelde hij zich bijna gelukkig. Bovendien wist hij zich van zijn melancholie te bevrijden door er den draak mee te steken. Deze vorm van objectiveering, dien wij "romantische ironie" noemen, was hen slechts kort gegeven. Zijn artisticiteit reikte niet tot blijvende verlossing. Doch zij was genoeg om het de "zeven vette jaren" deelachtig te doen worden. Natuurlijk koos hij hiertoe de lyriek. De studentenalmanak van 1856 bevat: "De bleeke jongeling", "De maan schijnt door de ruiten", "Hoor ik op Sempre een waldhoorn", "Hem die mij grof beleedigt", "O, spreek mij niet van liefde" en "Als ik een bidder zie lopen". Het jaar daarop droeg hij "Des zangers min" bij; in den almanak van 1859 tenslotte: "De drie studentjes". Ik heb die almanakken hier voor mij liggen, met Paaltjens gedichten opengeslagen: parels in de brief van het "Mengelwerk". In 1867, toen hij reeds 8 jaar dominee was, liet hij zich door den uitgever Roelans te Schiedam tot bundeling overhalen. Dit geschiedde onder den titel: "Snikken en Grimlachjes". Ziedaar zijn even bescheiden als onbetwistbare aanspraak op de onsterfelijkheid.

De kille maatschappij
Instinctief voelde Haverschmidt, dat met het afstudeeren zijn noodlot eerst recht beginnen zou. Steeds veelvuldiger spreekt hij in zijn brieven over de "kille maatschappij", die hem nu weldra "in haar kouden greep versmoren ging". En inderdaad, hij was een weerlooze, een ongewapende, niet opgewassen tegen de hardheid des levens. Doch langer rekken was niet meer mogelijk: de ouderlijke brieven uit Leeuwarden werden dringend. Hij moest zijn koffers pakken. Het is aangrijpend het afscheid van zijn kamer te lezen in een zijner brieven aan een vertrouwd studiegenoot:

"Mijn hart kromp ineen toen ik haar zag, woest en ledig. Ik ging uit en dronk mijn laatste glas bier als dtudent te Leiden bij Mller, onzen "Zweiten Vater". Men zong een lijkzang, den lijkzang mijner vrijheid en mijner weelde. Toen de toren van het stadhuis mij voor 't laatst het middernachtelijk uur toesnikte, dwaalde ik alleen langs de eenzame straten en grachten der Sleutelstad. Ik zocht al de woningen op, waar vrienden hunne kamers hadden gehad, stond er langen tijd voor stil en ik herdacht al die zalige uren, toen wij daar alles smaakten wat de aarde zoets en heerlijk heeft. Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik gevoelde mij zoo diep ongelukkig, dat het waarachtig was of mij het hart zou barsten in den boezem. Ik bad om tranen en kon niet weenen. Zie, ik had mij zoo gansch en als met ziel en lichaam verpand, verkocht en overgegeven aan het studentenleven en bovenal aan de vrienden, die ik onder studenten had gevonden, dat het voor mij was alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijn wereld. God dank,dat die ure voorbij is! Voor 't laatst tapte ik nog een flauwigheid aan Wullem, den kleinen lijfknecht der voormalige Sociteit, en roef, daar stoof Francois Haverschmidt de oude maatschappij in de armen - waarachtig, het was alsof het motregende op de stille heide."

HaverSchmidt op later leeftijdNa zijn proponentsexamen te Den Haag vertrekt hij naar Leeuwarden, houdt het er een week uit en neemt dan een uitnoodiging aan om twee dagen in Leiden bij een medische student te logeren. Hij blijft er drie weken: "...ik kon niet vrijkomen, mijn hart kluisterde mij aan die heilige plaatse". Haverschmidt ware wellicht gered geweest, indien men hem naar een bloeiende, opgwekte gemeente had beroepen. Het noodlot wierp den weerlooze in de schrikbarende eenzaamheid van Foudgum, een negerij van 150 zielen bij Dokkum. Drie lange en bange jaren duurde het, eer hij in 1862, naar Den Helder beroepen werd. Toen was het te laat. Reeds het volgende jaar schreef hij, door zwaarmoedigheid gedrukt, een verzoek tot ontslag aan den kerkeraad. Een collega kreeg den brief onder oogen, vr deze ter vergadering kwam, en wist hem tot verscheuren te bewegen. Dan schijnt het leven hem vriendelijker toe te lachen. Hij vindt een vrouw en wordt in 1864 naar Schiedam beroepen. Haverschmidt's natuur bloeit langzaam open. Zijn gezinsleven schijnt gelukkig, hij oogst erkening en genegenheid in zijn parochie. Wij bezitten en portret van hem uit dien tijd: hij heeft daarop het uiterlijk van een pas herstelde uit een zware ziekte, met den wat uitdagende glimlach van een, die het leven heeft teruggevonden: den overmoed der reconvalescenten. Wij drukken die merkwaardige beeltenis hier af. Zware slagen troffen hem, doch hij  weet zijn scheepje drijvende te houden.

Zware slag
Maar dan treft het de zwaarste salg: zijn vrouw sterft (1891). Den volgende Zondag staat hij lijkbleek op den kansel: "Ik sta pas aan den ingang der donkere vallei. Ik heb nog maar de eerste schreden gezet op den eenzamen weg, Ik zal nog heel wat moeten ervaren, zwaar en bang...". En langzaam, bijna onmerkbaar, trekt de mist eener ondoordringbare droefgeestigheid zich om hem heen. In 1983 weet zijn dichter hem nog over te halen een "bedevaaart" (het woord is van hem) naar Leiden te maken. Haverschmidt zoekt voor het laatst zijn oude woning op aan de Hoogewoerd en zingt er, staande op de stoep aan den overkant, uit volle borst het : Io vivat". Het is zijn zwanenzang.

In September van dat jaar schrijft hij aan een vriendin: "Toen keerde de wanhoop weer in mijn ziel en noode stond ik op om den regenachtigen dag te beminnen. Daarbinnen gaat "het voort mij te kwellen en te martelen. Suf van verdriet schrik ik telekns weer op tot nieuw verdriet". En dan volgt die merkwaardige brief van 3 december 1893:

...... Vanmorgen werd ik om halfzes of vijf uur wakker. Ik wist eerst niet, hoe ik het had. Ik was volkomen gelukkig. Ik dacht aan al mijn bezwaren, maar zij bezwaarden mij niet, of zij schenen als opgeruimd. Ik kan niet gelooven, dat ik waakte, maar een blik door de kamer overtuigde mij daarvan. Zoo lag ik wel een paar uur te genieten van een vrede en een blijdschap, die ik niet meer voor mij mogelijk achtte. Ik stond op als in verrukking en het eerste woord dat ik uitte was: "ik ben gelukkig". Spoedig ontbeet ik, tramde naar Den Haag en ging ter kerk. Ik was wat vroeg en het koor zong eenige liederen vooraf. Daarop speelde het orgel en zachtjes daalden in mijn hart de onrust en de droefheid, waaraan ik voor enkele uren ontkomen was. Bij het uitgaan der kerk vas ik bitter bedroefd. Ik moet nu niet denken aan den zaligen morgen dien ik doorleefde en die zoo kort duurde. Alles was in orde. Misschien verbeelde ik het mij en was het maar een wakende droom. Nu is het weer als altoos". Als vanzelf tijst in gedachten het wonderlijke couplet, dat hij bijna 40 jaar tevoren schreef:

Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turkse trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En - ik weet zelf niet waarom.

Kort daarop maakte Haverschmidt een einde aan een leven dat hem ondragelijk was geworden. Bij zijn graf stonden afgevaardigden van het Leidsch studentencorps. Er werd niet gesproken, doch in de ijzige koude stond zwijgend de honderden, die hij gedurende twintig jaar met zijn zwakte had pogen te sterken. Zijn jaargenoot, mr W. van der Kaay, de oudminister van Justitie, heeft de herinnering aan deze uitvaart bewaard in het studentenweekblad "Minerva" van 25 januari 1895.

"Ik zag op weg naar zijn graf langs de straten geschaard en op het kerkhof samengedrongen een zeldzaam talrijke menigte van alle standen en elken leeftijd. Ik heb de verslagenheid gelezen op de gezichten en de tranen zien glinsteren in hun oogen. Ik ben geroerd door de vele trillende stemmen bij het gezang, waaronder hij omlaag zonk in de groeve."

Ik wil mijn stuk besluiten met een citaat uit een brief, dien hij als zielszorger schreef aan een vrouw, wier broeder de hand aan zichzelf geslagen had:

" .....geen vreeselijker smart dan die ons daartoe drijft. Wie er ooit iets van ondervond (en dat durf, dat moet ik helaas van mijzelven zeggen, uit vroeger tijd), die kan ervan getuigen. En hij wachte zich er voor ooit iets hards te zeggen of te denken van den arme, bezweken na wie weet hoe menige overwinning, na langen, eerlijken strijd."

Terug naar startpagina Haverschmidt