Hoe was het in die tijd om predikant te zijn ?

Binnen de Hervormde Kerk van de negentiende eeuw was de toebedeling van predikanten aan gemeenten op de volgende manier geregeld. Een lichaam dat de plaatselijke gemeente vertegenwoordigt (doorgaans haar bestuur, de kerkeraad, soms een of meer leken die het patronaatsrecht bezitten) beroept een predikant. De predikant beslist of hij het beroep aanneemt of afslaat. Neemt hij het beroep aan, dan zijn hij en de gemeente aan elkaar verbonden tot zijn dood, pensioen, of aangenomen beroep naar een andere gemeente. Een gemeente kan een predikant niet ontslaan of tijdelijk aanstellen. Een predikant kan een gemeente niet verlaten, en predikant blijven, zonder door een andere gemeente beroepen te zijn.

Predikanten geven gehoor aan beroepen omdat niet iedere gemeente even aantrekkelijk is. Haverschmidt begon in Foudgum, dat zo’n ƒ 800 tractement per jaar betaalde. Daarvan kon hij niet trouwen. Zo’n bedrag gold in de tweede helft van de eeuw als ongeveer de helft van wat een fatsoenlijk predikantsgezin nodig had om van te leven. In Den Helder verdiende hij ƒ 1500, en hij verloofde zich vrijwel onmiddellijk toen het beroep uit die gemeente binnen was. In Schiedam verdiende hij ƒ 2000. Daarmee behoorde hij tot de beter betaalde predikanten, en kon zich een levensstandaard veroorloven als van de gezeten burgerij. Waren zo gemeenten op verschillende manier aantrekkelijk, predikanten waren dat ook. Foudgum werd in de achttiende en negentiende eeuw bediend door vijfentwintig predikanten, maar slechts eenmaal slaagde de gemeente er in een predikant te beroepen, die al eerder in een gemeente had gestaan, en die was binnen een jaar weer vertrokken.  Afgezien van een enkel sterfgeval, vertrokken de in Foudgum beroepen predikanten in de negentiende eeuw allemaal weer naar een andere gemeente, doorgaans binnen korte tijd. Niemand stond in Foudgum tot zijn pensioen. Den Helder daarentegen beriep in de negentiende eeuw altijd ervaren predikanten, die al minstens één gemeente bediend hadden.

Tegenover gemeenten die verschillend waren in aantrekkelijkheid stonden zo in verschillende mate gekwalificeerde predikanten. Zij werden van de ene naar de andere gemeente beroepen, en deden daarmee de ervaring op, die hen beroepbaar maakte voor een aantrekkelijker gemeente. Haverschmidts carrière, met drie bedieningen, verspreid over het hele land, in drie verschillende provincies, is zeer karakteristiek. Drie wisselingen was in de negentiende eeuw ongeveer het gemiddelde voor een predikant. Er bestond toen een landelijke arbeidsmarkt voor predikanten, die hen de mogelijkheid bood carrière te maken door te beantwoorden aan de eisen die men stelde aan hun uitoefening van hun ambt. Zo’n arbeidsmarkt functioneerde sinds het laatste kwart van de achttiende eeuw.

Haverschmidts loopbaan, waarin hij drie gemeenten bediende, was in de negentiende eeuw iets waar de gemiddelde predikant op kon rekenen. Voor 1770 was zo’n carrière uitzonderlijk. Iets meer dan de helft van alle predikanten diende toen maar één gemeente. Zij stierven op het dorp waar ze ongeveer een kwart eeuw eerder beroepen waren. Een derde van alle predikanten diende twee gemeenten, en slechts één op iedere zes predikanten diende drie gemeenten of meer. In zo’n situatie zijn kwalificaties van minder belang dan connecties. Verdeling van predikantsplaatsen vond eerder plaats op basis van patronage, dan door de werking van een markt. De kwaliteit van de persoon was belangrijker dan de kwaliteit van de predikant.

In het laatste kwart van de achttiende eeuw veranderde dit eeuwenoude karakter van de geestelijke stand. Vanaf 1760 daalde het aantal beschikbare proponenten gestaag. Dorpsgemeenten die vroeger een ervaren proponent als predikant zouden hebben gekozen, voelden zich voortaan aan hun stand verplicht een ervaren predikant te beroepen. De mobiliteit van de predikanten steeg. Een nationale integratie vond plaats. Steeds vaker wisselden predikanten over grote afstand van gemeenten.

De fundamentele verandering in het sociale karakter van het predikantschap had drie elementen. Het werd, ten eerste, gebruikelijk dat een predikant in zijn loopbaan meerdere malen van gemeente wisselde. Deze wisselingen vonden, ten tweede, in toenemende mate over het hele land plaats. En, ten derde, werd de stand van de predikanten sociaal homogener. Deze drie elementen kunnen als één ontwikkeling worden beschreven. In het laatste kwart van de achttiende eeuw werden de predikanten een nationale beroepsgroep.

In toenemende mate werd de opleiding als assistent van een predikant vervangen door een langer verblijf aan de universiteit. Dat maakte de studie aanmerkelijk veel duurder. De reorganisatie van de Hervormde Kerk in 1816 sloot aan bij deze veranderingen in de sociale positie van de predikanten en bevestigde de ontwikkeling. Voor het eerst werd de hervormde kerk een werkelijk nationaal lichaam, bestuurd volgens landelijk geregelde normen en voorschiften. Binnen de kerk kregen de predikanten het voor het zeggen. Hun opleiding vond voortaan verplicht aan de universiteiten plaats, en duurde vijf à zes jaar.

Wanneer men dus geïnteresseerd is in het sociale aanzien van de predikant in de negentiende eeuw, moet men spreken over het aanzien van een beroepsgroep. De eenheid van deze beroepsgroep werd versterkt door het gegeven dat het predikantschap in de negentiende eeuw in hoge mate erfelijk was. Al in 1816 was besloten om aan predikantszonen die theologie studeerden, ieder jaar honderd gulden uit te keren. In 1820 werd dat verhoogd tot tweehonderd gulden, en werden de theologische lessen aan de universiteit bovendien gratis gemaakt, terwijl het de hoogleraren verboden werd collegegeld te heffen.  De administratie van de uitbetaling van deze academiegelden is slecht bewaard gebleven, maar in de archieven van het Departement voor Protestantse Erediensten bevinden zich nog enkele stukken, die het mogelijk maken te bepalen hoeveel van de studenten in de theologie de zoon van een predikant waren. In 1858 waren er dat 195, iets meer dan 40% van de 465 studenten die toen als theoloog stonden ingeschreven. Ook in de jaren 1820-1840 lijkt dat het percentage predikantszonen geweest te zijn. Veel studenten die geen vader hadden die predikant was, stamden wel uit een predikantengeslacht. F.L. Rutgers, die een jaar na Haverschmidt in Leiden theologie ging studeren, was de zoon van een hoogleraar, maar zijn vier ooms, zijn oudoom en grootvader en zijn overgrootvader waren predikant geweest. De meeste van deze predikanten waren bovendien getrouwd met dochters van predikanten.

Haverschmidts vader was apotheker en succesvol wijnhandelaar. Maar zijn moeder was de dochter, zijn zuster de vrouw van een predikant. Haverschmidt heeft zich geregeld uitgelaten over de rol die zijn grootvader de predikant in zijn leven gespeeld heeft, en wanneer hij in 1889 terugkijkt, bij zijn vijfentwintig-jarig ambtsjubileum, herinnert hij aan de twaalf predikanten in diens en daarmee in zijn eigen voorgeslacht.

Naast het beroep en de familiebanden versterkte in de negentiende eeuw ook de gedeelde studie de homogeniteit van het predikantencorps. De invloed van de academische studie in deze was meer het gevolg van de socialisatie die aan de universiteit plaatsvond, dan van het academisch onderwijs in strikte zin. De ƒ 700 schulden die Haverschmidt had aan het eind van zijn studie, en die zijn vader zo moeiteloos betaalde, dat geld was besteed aan aan zijn vorming. Van het intellectuele niveau van de theologische studie moet men zich niet teveel voorstellen. Een aantal lezingen die F.L. Rutgers aan het eind van de jaren 1850 voor een Leids theologendispuut hield zijn bewaard gebleven, samen met de daarop door medestudenten geleverde kritiek. Dat decennium was het begin van de negentiende-eeuwse bloeiperiode van de Leidse theologische faculteit, en daarmee van de Nederlandse theologie. Het dispuut verenigde de meer vooraanstaande studenten. Van de negen leden zouden er drie, waaronder Rutgers, hoogleraar worden. De bewaard gebleven lezingen, die dus gehouden werden door een goede student, een kandidaat in de letteren, zijn van een bedroevend intellectueel niveau, net zoals de kritiek die erop uitgeoefend werd. 

 Maar ook een weinig grondige academische scholing maakte de predikant in de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving tot iets bijzonders. Het aantal theologiestudenten fluctueerde gedurende de eeuw. Hoogtepunten in aantallen afstuderende predikanten vielen in de jaren rond 1830, rond 1860, en rond 1900. In het academisch jaar 1856/57 was iets meer dan één op de drie — 38% — van de ingeschreven studenten theoloog. Er studeerden toen zelfs net even meer theologen dan juristen. Tien jaar eerder, in 1848/49, was iets meer dan een op de vijf studenten theoloog geweest. En zelfs in 1883/1884, toen het aantal ingeschreven theologiestudenten een historisch dieptepunt bereikte, maakten zij nog meer dan tien procent uit van het totale aantal studenten.

In de jaren 1820 steeg het aantal studenten in de theologie snel, als gevolg van de door de overheid en synode genomen maatregelen om het studeren in de theologie goedkoper te maken. Al in 1830 voldeed het aanbod van beschikbare predikanten aan de vraag, maar de toen verslechterende vooruitzichten op een beroep door een gemeente zorgden pas jaren later voor een daling in het aantal afstuderende predikanten. In 1839 was het aantal kandidaten dat op de markt kwam voor het eerst sinds 1822 lager dan het jaar daarvoor. Het grote overschot aan kandidaten verslechterde hun positie op de arbeidsmarkt aanzienlijk, en in de tweede helft van de eeuw dachten predikanten en hun familie met huiver terug aan deze jaren. “Het is niet te zeggen wat bejegeningen van lompe trotsche boeren zich beschaafde menschen moesten laten welgevallen.”  Toen zo’n dertig jaar later de generatie die in de jaren 1820-1830 gestudeerd had, moest worden vervangen, steeg het aantal vacatures weer snel. De reactie daarop leidde opnieuw tot een predikantenoverschot, zo rond de tijd dat Haverschmidt afstudeerde. Bij de vacature in de aantrekkelijke gemeente Brielsch Nieuwland was hij één van vijftig kandidaten die de kerkeraad verzochten een proefpreek te mogen houden.

In 1890 was bijna een kwart van de gemeenten van de Nederlandse Hervormde Kerk vacant. De oorzaak van deze geringe aantrekkingskracht lag ongetwijfeld in de felle kerkelijke twisten van deze jaren. Ook in zijn weerzin jegens kerkelijke conflicten was Haverschmidt een doorsnee predikant, eerder dan een psychologisch bijzonder geval. Bij de Doleantie ging een veel groter percentage van de aktief betrokken leken dan van de predikanten met Kuyper mee. Keetje Hooijer-Bruins verwachtte in deze jaren dat niemand van haar geslacht meer predikant zou worden, juist vanwege deze verandering in de omgangsvormen binnen de hervormde kerk.

Haverschmidts sociale leven in Foudgum is illustratief. In zijn herinneringen aan dat dorp beschrijft hij hoe sommige gemeenteleden ontevreden over hem waren, naar hij aanneemt omdat ze beïnvloed zijn door het ultra-gereformeerdendom. Zijn schets van deze vromen — ze zijn zeurderig, arrogant, bedrukt —is een cliché uit een traditie die zeker teruggaat tot de romans van Wolf en Deken, dus tot de tijd dat de sociale homogenisering van de predikantenstand begon. Haverschmidts’ schets kan zeker niet gebruikt worden om de mentaliteit van deze ontevredenen te bepalen. Maar wat uit deze herinneringen wel heel duidelijk wordt, is hoezeer voor Haverschmidt het spreken over het geloof volledig verweven was met een bepaalde stijl van het voeren van gesprekken, waarbij kunst en andere delen van de hoge burgerlijke cultuur een onverbrekelijk geheel met godsdienst vormden, nog niet eens zo zeer inhoudelijk, maar bovenal wat de vorm betreft. In zijn herinnering contrasteert hij de omgangsvormen van deze ontevreden vromen onmiddellijk met de manier waarop hij met zijn academievrienden omging. De kloof met deze gemeenteleden lijkt dan ook voornamelijk cultureel en sociaal, eerder dan theologisch van aard te zijn.

Het milieu waar Haverschmidt wat betreft omgangsvormen toe behoorde vond hij in Foudgum bij de kantonrechter te Holwerd, een baron Van Harinxma die op het huis Tjessens woonde. Tussen Haverschmidt en de plaatselijke elite op het dorp, de vier eigenerfde grote boeren, die ongetwijfeld de kerkvoogdij beheerden en daarmee de fondsen waaruit hij betaald werd, gaapte een diepe sociale en culturele kloof.