Het kabinet-orgel te Foudgum

 

De Hervormde kerk te Foudgum mag zich voor de begeleiding van haar gemeente verheugen in het bezit van een kabinet-orgel, en nog wel één uit de tweede helft van die eeuw uit de geschiedenis van de orgelbouw, die met het bloeitijdperk van de orgelcultuur aanving, de 18e eeuw. Geen wonder, dat ook dit instrument een plaats gekregen heeft in het beknopte, doch uitstekende in 1970 verschenen boekje ‘Frieslands orgelpracht’ deel 1, geschreven door Jan Jongepier, die in 1971 opnieuw winnaar werd van het internationale Orgelconcours op het Christian Müller orgel in de Grote of Sint Bavokerk te Haarlem.

Kabinet orgels werden oorspronkelijk niet gebouwd voor kerkelijk, doch voor huiselijk gebruik van de toenmalige gegoede burgerij. Misschien vergelijkbaar met wat in onze tijd een statussymbool heet. Iedere eigenaar ervan was dan ook niet een geboren organist: daarom kon men met één klavier volstaan. Trouwens, een tweede klavier met bijbehorende windlade en vooral een vrij pedaal zouden de proporties van het gangbare en normatieve meubelstuk, het kabinet, verre te buiten hebben doen gaan.

Vanwege dat ene klavier hadden deze ‘huisorgels’ evenals de hedendaagse orgelpositieven dus een geringe bruikbaarheid voor het uitvoeren van die werken, die voor kerkorgels waren gecomponeerd. Meer dan driekwart van de orgelliteratuur is op een één-klaviers-orgel of positie niet, of niet op de juiste wijze, uitvoerbaar, reden, dat studerende organisten uit onze dagen steeds meer overgaan tot de aanschaffing van een Heyligers-orgel, waarvan de bouwer de enige ter wereld is , die de kunst verstaat alle klankprincipes, die in de (neo)barokke orgelbouw geldigheid hebben, op elektronische wijze te realiseren en de resultaten daarvan in uitmuntende disposities over twee klavieren en een vrij pedaal te verdelen.

Het is niet eenvoudig te schatten hoeveel kabinet-orgels, secretaire-orgels en cylinder-orgels ons land binnen zijn grenzen heeft gehad. Een expert op dit gebied, de heer A.J. Gierveld te Vleuten, schat het restant ervan in ons land op 100 a 200 stuks, die hij bezig is te inventariseren. Zijn adres is John F.Kennedylaan 25.

Evenals bij de klassieke kerkorgels zullen temperatuurschommelingen en vooral vochtigheidsfluctuaties ook op het gebied van kabinetorgels er de oorzaak van geworden zijn dat menig antiek instrument onbruikbaar werd en onder de slopershamer viel.

Gezien één en ander is het niet zozeer aan de bruikbaarheid dan wel de zeldzaamheid van kabinet-orgels te danken, dat de waarde ervan zogezegd met de maand toeneemt. Zo werd mij dit voorjaar medegedeeld, dat op het kabinet-orgel in de Hervormde kerk van Jouwswier, hoewel dit een kleine 100 jaar jonger is dan dat van Foudgum, reeds een bod van f. 30.000,00 werd gedaan. Maar dit verkeert dan ook in zo goed als oorspronkelijke staat.

De beide deuren van het Foudgumers kabinet-orgels, die, wanneer ze gesloten zijn, het instrument het aanzien gaven van een antiek kabinet, zijn echter helaas verdwenen, doch ze ontbraken reeds toen de kerkvoogdij van Foudgum het in 1924 door bemiddeling van de orgelbouwersfirma Bakker en Timmenga uit Leeuwarden overnam van de Vrije Evangelische Kerk aldaar.

Dat het orgel niet altijd met de nodige egards is behandeld komt dus niet voor rekening van Foudgum, wellicht niet eens voor rekening van Leeuwarden.

 

 

Enkele technische gegevens:

 

De windvoorziening wordt met handkracht door een zwengel aan de achterzijde van het orgel tot stand gebracht. In de originele uitvoering van dit instrument zal dit zoals gebruikelijk met een voettrede aan de voorzijde zijn geschied. De voor een kabinet-orgel beslist niet karige dispositie geeft de volgorde van voetmaat het volgende beeld:

 

Dwarsfluit                       16 voet discant

Praestant                       8 voet discant

Holpijp                          8 voet bas/dsicant

Viola                              8 voet discant

Octaaf                            4 voet bas / discant

Fluit                               4 voet bas/discant

Octaaf                            2 voet bas / discant

Terts                              1 3/5 voet discant

Sifflet                             1 voet bas

 

Het lijkt mij niet waarschijnlijk, dat de halfgedekte dwarsfluit 16 voet oorspronkelijk is, zowel vanwege de aanblik en de toestand, als ook vanwege het feit, dat op deze plaats doorgaans een Bourdon 16 voet staat gedisponeerd. De meeste pijpen ervan geven geen geluid. Van de Praestant 8 voet staan 9 pijpen in het front, de overige frontpijpen zijn stom.

De holpijp is gehalveerd, de bas is uit hout vervaardigd. De Viola 8 voet discant is in ieder geval niet oorspronkelijk. Omstreeks 1900 moet deze Viola onder invloed van de romantiek zijn aangebracht zo goed als zeker ten kosten van een Quint 2 2/3 voet. Het in oorspronkelijke staat brengen van dit register is een vrij eenvoudige zaak, die de mogelijkheid inhoudt van registreren met de brillant stralende Sesquialterklant, nl. door het bijvoegen van de Terts 1 3/5 voet met een 8 voets grondstem.

De octaaf 4 voet is verdeeld in discant en bas. Het groot octaaf ervan is uit hout vervaardigd, de discant ervan heeft de naam Praestant gekregen, hoewel dit register niet voorin, doch achter in het orgel is opgesteld.

De eveneens gehalveerde Fluit 4 voet heeft in de bas gedkte en in de discant open pijpen. De vierde en laatste gedeelde labiaalstem is de Octaaf 2 voet, die in de bas ook enkele houten pijpen heeft.

De Terts 1 3/5 voet mist door de huidige afwezigheid van een Quint 2 2/3 voet zijn voornaamste functie. Omdat de bas geen quint-register of andere enkele of samengestelde vulstem bezit is het de Sifflet 1 voet, die voor het sprankelende geluid in het groot en klein octaaf zorgdraagt.

De omvang van het klavier is C-groot t/m driegestreept f. ( De onderste 2 octaven hiervan, het groot en het klein octaaf, 24 toetsen dus, worden de bas genoemd; de overige 2 ½ octaven, 30 toetsen, dragen de naam discant.

 

 

Oktober 1971. J. Mostert, Ternaard.

Terug nnaar pagina Hervormde kerk

Terug naar pagina Uit het verleden