Vrijdagse bijlage Leeuwarder Courant
1 november 1991

In 1994 wordt het honderste sterfjaar herdacht van Piet Paaljens, achter welk pseudoniem de student, later dominee Francois HaverSchmidt schuilging. Het belooft een grootse herdenking te worden: Paaltjens' romantische humoristische dichtkunst spreekt nog steeds tot de verbeelding, en van zijn bekendste 'Immortellen' uit de bij zijn leven reeds onsterfelijk geworden 'Snikken en Grimlachjes' is trouwens geregeld in het nieuws, doordat anderen haar parodiŽren of vertalen. Het laatste nieuws dateert van vorige week: Rudolf van Zantwijk, hoogleraar in de Indiaanse culturen aan de Rijksuniversiteit van Utrecht heeft het gedicht in het Azeteeks vertaald, waardoor Piet Paaltjens er anderhalf potentiŽle lezers bij kreeg.

Wel menigmaal zei de melkboer....

Het vers komt, hoe kan het anders, ook voor in een voorstelling met gedichten van Piet Paaltjens, die stadschouwburg De Harmonie volgende week uitbrengt. Dat gebeurt, nu de 'oude Harmonie' dan eindelijk is gesloopt, op een 'passende lokatie': de Theeschenkerij van de Prinsentuin. Een plaats, die volgens de Harmonie-directie in een trotse aankondiging op de voorpagina van haar Uit-krant 'nog volop de sfeer ademt van de negentiende eeuw'. In ieder geval voldoet de omgeving in dit jaargetijde aan de verwachtingen die men rond Piet Paaltjens koestert. Een eenzame tocht te voet door het park,  blader- en gezangloos onder Frieslands donkere hemel, voert de toeschouwer naar een krakend lokaal, waar de jonge pas afgestudeerde Francois HaverSchmidt heimwee zou hebben gekregen naar de studentenstad Leiden. Dat hem die heimwee inderdaad bekroop, blijkt uit zijn Nagelaten Snikken. 'Frans' heeft namelijk vlak na zijn afstuderen, korte tijd weer even in Leeuwarden gewoond, bij zijn zuster Adriana, de weduwe van dominee Sardenius, op 'een paar trettige kamertjes, met vroolijk uitzigt op een gracht'.

Hij herschiep ze 'in oud-studentenkamers en zoo verblindend was mijn pogen, dat ik vaak, als ik rondzag naar de oude canapť, dien veldstoel, dien lessenaar (nu ook dat kagcheltjen), die portretten van den Prins en Professoren en van een twintigtal kennissen en vrienden, dat boekenhangertje, dat bierglas van Muller, en wat meer eens de kamerkens van den Bidder in een paradijsje herschiep, dat ik vaak mij hertooverd waande op de Hoogewoerd'.

Vrienden
De theaterbus van De Harmonie bij de ingang van de Prinsentuin verbreekt voor ťťn moment de illusie. Daar wordt het publiek - ten hoogste veertig mensen - 's avonds opgewacht en in plaats van een eenzame tocht naar de Theeschenkerij te aanvaarden, zal een gids hen door de duisternis leiden. Maar het is de bedoeling, dat de acteur Joop Wittermans in zijn rol van HaverSchmidt de illusie onmiddelijk herstelt. De toeschouwers worden zijn 'Vrienden', die hij heeft uitgenodigd om hen deelgenoot te maken van zijn worsteling in hete leven. Hij doet dat aan de hand van de gedichten van Piet Paaltjens in de vorm van een lange monoloog. Bouke Oldenhof, coŲrdinator literatuurbevordering bij het Frysk Letterkundisch Museum en Dokumentaesjesintrum en dramaturg, schreef de tekst, waarvoor hij in de huid van HaverSchmidt moest kruipen.

Oldenhof heeft het beeld dat er van HaverSchmidt/Piet Paaltjens bestaat, enigzins genuanceerd. Voor hem is HaverSchmidt niet alleen de pathologisch gekwelde romonticus, die terug kon verlangen naar zijn paradijselijke jeugd. 'Hij is tevens een man die voortdurend afziet van daden. HaverSchmidt is ook de aan het geloof twijfelende dominee die meerdere aangeboden betrekkingen in de journalistiek weigerde, de man die een slecht huwelijk had, maar daar geen consequenties aan verbond en die juist na de door van zijn vrouw zelfmoord pleegde. Piet Paaltjens is een dweper met verleifdheden. In de vier gedichten die in Snikken en Grimlachjes als 'TijgerleliŽn' zijn gebundeld - en waaraan de titel van de voorstelling is ontleend - levert de dichter zich binnen het tijdsbestek van een enkele tel over aan zijn gevoel van verlieftheid. Maar niet aan de geliefde. Liever dan zich te storten in een erotisch avontuur koestert Piet Paaljens zich in de overzichtelijkheid van een goed geformuleerde hartstocht, terwijl de theologische student HaverSchmidt zich wijdt aan zijn tentamens'. Dat is, meent Oldenhof, de bolkkade van HaverSchmidt-Paaltjens: 'Liever studie en poŽtische vormgeving dan in het diepe duiken'.

Haver
De naam HaverSchmidt werd oorspronkelijk als HaverSchmidt geschreven, met een hoofdletter S. Het gaat namelijk om een samentrekking van twee namen. Francois' overgrootvader, afkomstig uit het Duitse Pommern, heette alleen Haver. Hij verhuisde naar de Republiek om bij de vloot dienst te nemen. Zijn zoon, Francois' grootvader, werd dus in Nederland geboren, in Enkhuizen, waar de opvoeding werd toevertrouwd aan een oom die Schmidt heette. De jongen schreef zich toen 'HaverSchmidt'.

In 1800 vestigde deze HaverSchmidt zich in Leeuwarden. Diens zoon, apotheker en wijnkoper van beroep, trouwde met Geeske Bekius, een Friezin met Frans bloed in de aderen en dochter van een dominee uit Dantumawoude. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes. Francois was het zesde kind dat op 14 februari 1835 aan de Voorstreek nr 80 ter wereld kwam. Mede omdat hij Duits bloed van vaderskant en Frans bloed van moederskant had, rekent een van zijn biografen, Ed A. Serrarens, hem niet to de Friezen. Een romanticus als hij voldoet niet aan het beeld dat Theun de Vries in zijn boerenromans van het Friese type schetst. De sombere aard had hij van zijn moeder. Als de kleine Francois in de pastorie te Dantumawoude logeerde, was hij doodsbang voor het levengrote portret dat daar hing van zijn betovergrootvader Francois Bekius, die 'diveldominee fan de Walden', en bovendien kwakzalver, zuipschuit en vrouwenhater.

Een nazaat van de familie, dr. H.G. Cannegieter, die dit aan de grote klok hing, ondekte ook, dat Francois Bekius geobsedeerd was door de door, net als enkele generaties later de jonge Francois. Die achtte zich dan ook niet zonder reden een produkt van zijn voorgeslacht. Om met de door hem bewonderde Heinrich Heine te spreken: 'Ich habe dieses Elend mit mir zu Welt gebracht'. Maar dan heeft de door Weltschmerz geteisterde jongeling de jaren des onderscheids al bereikt. Daarvoor had hij in Leeuwarden toch een betrekkelijk zorgeloze jeugd gehad. Ds. J.J. Kalma, die hem in zijn "De wiene ek Friezen"  wel bij de Friezen inlijfde, heeft het over 'sa foar it each, in fleurige jonfeint': 'Men had oanstriid oan Franske geast te tinken, mar faaks is it better dy utlittenens as tsjinpoal fan it zum Tode betrŁbt te sjen. Hat it wol echte blydskip west? Wie it net folle mear in stik selsferwar, in reškty op de deadsdrift, dy't ek yn him libbe?'

Op de Latijnse school is Leeuwarden was francois een van de beste leerlingen. Na zijn staatsexamen in Delft (1851) werd hij kennelijk getroffen door een depressie, want zijn ouders lieten hem nog niet naar Leiden gaan, maar hielden hem een jaar thuis. Hij verdiepte zich in de wereldliteratuur en ondekte Victor Hugo, Goethe, Schiller en vooral Dickens en Heine. De acht jaar daarna als student theologie in Leiden waren een hoogtepunt in zijn bestaan. Hij woonde weliswaar in het gezelschap van de door, boven de 'bidder' van Ewijk op de Hoogewoerd, maar in het beschermde studentenmilieu voelde hij zich redelijk op zijn gemake, deed mee als quaestor en zelfs praeses van de studentenvereniging Frisia en sloot zich - hoewel van huis uit orthodox - , in zijn studie van harte bij de moderne, vrijzinnige richting aan.

Buiten de universiteit, in de harde werkelijkheid, werd hij ehter verscheurd door angsten en verlangen naar de dood. Om zijn leven nog enigzins draagelijk te meken, vond hij zijn alter ego Piet Paaltjens uit, die in de Leidsche Studentenalmanak die wurgende doodsdromen en dat hartverscheurende verdriet van HaverSchmidt op weergaloze wijze parodieerde. Het tijdschrift Los en Vast vond dat deze poŽzie 'elke zedelijke strekking' miste en voorspelde dat zijn werk zeker niet populair zou worden 'aan onze academies'. Het tegendeel bleek waar: de 'Snikken en Grimlachtjes' vonden niet alleen ingang aan de academies bij studenten die er iets van zichzelf in herkenden, maar in brede lagen van het volk.

Foudgum
Maat Piet Paaltjens hield Francois HaverSchmidt voor de gek. Toen hij Leiden verleit en als predikant zijn brood moest verdienen, raakte hij voorgoed uit zijn evenwicht. Bekend is het 'drama van Foudgum', zijn eerste gemeente (1859 -1862), waar hij werd verstikt door eenzaamheid en in conflict kwam met de Foudgumers die hem verweten niet rechtzinnig hervomd te zijn en te weinig over de ellende van de mensen te spreken. 'Maar wat moest ik dan beginnen? Roerde ik den godsdienst aan, dan vervielen wij een een zwaarmoedig gezuer, of men zweeg wantrouwend.' Dat vertelde hij jaren later in een lezing voor het Nut te Schiedam - de jeneverstad waar hij in 1864 beroepen was. Vergeleken met Schiedam was Foudgum een idylle. Hij werd er geconfronteerd met de armoede en ellende van de arbeiders in de distilleerderijen en de tegenwerking van de rechtzinnige ambtsbroeders, die hem in het defensief dreven.

HaverSchmidt had niet de moed om er tegen in te gaan, en ook niet om er mee te kappen en hoofdredactuer van het Nieuws van de Dag of redacteur letteren van het Handelsblad te worden. Die functies waren hem in respectievelijk 1871 en 1873 aageboden op grond van zijn uitstekende preken, maar hij weigerde: hij zat te zeer vast aan het domineesambt. Het zou nog meer dan twintig jaar duren, voordat hij, op 58-jarige leeftijd, door de zelfgestrikte strop in de bedstede werd bevrijd. Het was maar kort nadat zijn vrouw Jacoba was gestorven. Hoewel hij een slecht huwelijk had, zal zij een eerdere 'bevrijding' in de weg hebben gestaan.

Gesloten
Francois HaverSchmidt was een gesloten mens, en dus is hij tot op de dag van vandaag een intrigerend onderwerp voor biografen. Na Ed Serrarens ontfermden onder ander Hans van Straten en Rob Nieuwenhuys (in 'Dominee en de worgengel') zich over hem. Nu ondernemen Bouke Oldenhof en Joop Wittemens een poging op het toneel. Zij nemen daarmee alvst een voorschotje op de grootscheepse herdenking van 1994, wanneer het land ongetwijfeld zal worden overspoeld met meer interpretaties van Snikken en Grimlachtjes en van het in 'Familie en Kennissen' gebundelde proza. De preken van Francois HaverSchmidt vormen een hoofdstuk apart. Zullen al deze nijvere vorsers ooit Piet Paaltjens beter doorgronden dan HaverSchmidt zelf, die schreef: 'Men weet haast niets van hem en wat men nog van hem weet is hartverscheurend'.

Joop Wittermans speelde in de voorstelling 'TijgerleliŽn'- geregisseerd door Matthijs RŁmke in een toneelbeeld van Henk Kraaijenzank - in de Theeschenkerij van de Prinsentuin te Leeuwarden. Na de premiere op vrijdag 8 november werden er voorstellingen gegeven op 9, 12, 15, 16, 19, 22, en 23 november 1991.