Voorwoord 'Snikken en Grimlachjes'

 

Voor den tweeden druk

Den heer H. A. M. Roelants, Schiedam

1 april 1871.

Mijnheer!

Gij verzoekt mij om een inleiden woordje voor den 2den druk van mijn Snikken en Grimlachjes, en te gelijk noodigt gij mij uit, eindelijk een begin te maken met de uitgave van mijn later gedichten. Wat nu dat woordje betreft, - kunt ge er dezen brief voor gebruiken, zoo ga uw gang. Want ik heb roeping noch gelegenheid, een formeele inleiding aan de rijmelarijen mijner jonkheid toe te voegen. En wat de pozie uit het tweede tijdperk van mijn leven aangaat, uit de dagen van mijn omdolingen langs de stranden en op tentoonstellingen, - om u de waarheid te zeggen, die heb ik ten vure gedoemd, den avond vr den eersten verjaardag van mijn trouwen. Ge moet namelijk weten, dat ik op dit oogenblik reeds gelukkig man en vader ben. De oudste dochter van Mevr. de Wed. Pothof heeft mij tot dien heilstaat verheven, evenals ik het aan hr te danken heb dat ik lid ben geworden van de bloeiende firma Pothof & Van Balsum, in sigaren. Sinds ik mij aan mijne nieuwe betrekkingen ben gaan wijden, heeft er een algeheele verandering met mij plaats gegrepen. Was ik vroeger bleek en mager, thans ben ik kleurig en gezet. Uit mijn oogen glanst een stille vergenoegdheid, en in stede van de nare geluiden die ik weleer placht te slaken, rolt en nu om de haverklap een heldere lach of een vroolijk deuntje over mijn lippen. Want ik zing nog steeds, maar geen "sombere, bittere liederen" meer. Dr heb ik voorgoed van afgezien. En zelfs, gelijk ik reeds zijde, heb ik alles wat ik eens akeligs zong, zooveel het mij mogelijk was, plechtig vernietigd. Op een echt kouden Meiavond heb ik er mijn vrouw, mijn compagnon den waardigen Van Balkum, en mijzelven een keteltje bisschop boven gewarmd.

Alzoo, beste heer Roelants, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om - sigaren. Of neen - heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij las jongeling bezeten hield. Gisteren - de scherpschutters trokken met hun nieuwe banier en onder volle muziek voorbij ons kantoor - daar ontwaakte opnieuw mijn zangdrift. Een lavastroom gelijk bruisten de vaderlandsche gevoelens uit mijn harp ....

Doch ik moet eindigen: men roept mij aan de koffietafel. - Vaarwel dan en geloof mij steeds

Uw dw. dienaar,
P. Paaltjens.

 

Bij de vierde uitgave

S. 24. October 1878

Het is mij een hoogst aangename taak, dezen 4den druk der Snikken en Grimlachjes van mijn vriend Piet Paaltjens te mogen "bezorgen".

Bij de eerste uitgave liet ik het voorkomen, alsof ik zelf zijn verzen niet zo heel mooi vond; maar nu ieder er anders over toont te denken, durf ik er ook wel voor uitkomen, dat ik er mee dweep.

Het verwondert mij niet, dat de uitgever het noodig gevonden heeft, des dichters portret in staal te doen graveeren. De steendrukken in de beide vorige uitgaven geleken trouwens in het minst niet op de fijne trekken van de gevoelvollen zanger. Maar hier hebben wij hem, zooals hij eenmaal te Leiden geleefd heeft en verdwenen is.

Minder nog kan het mij bevreemden, dat men behoefte gevoeld heeft, zijn pozie over te zetten in andere, zoo doode als levende, talen. De Fransche vertolking van de heer De Jagher is ongetwijfeld in veler handen. Van de Latijnse hier de volgende proeven:

Petri paxilli
Oden primam (ex veteri et genuina lectione)
 latino idiomate donavit
Adrianus Arena, ICtus

Phoebe fenestram intrat,
Spectat me anxia,
Oculas videt nitentes,
Nitentes lacrim.

- Quid ploras, moeste vates?
Quorsum hae lacrimae? -
Me prodidit amicus,
Nec laesus erat a me.
(Immortelle I)
Eiusdum
Carmen lxxii.
latina voce expressit
Adrianus Arena, ICtus.

Quaterni sedebamus Socim in hortulo. "En", clamat Arena, "Amici! Quam pulchra, videte! virgo." "Comta est", ait Caius, "puella! Non bis sex illi similes!" "Hanc amat," gemit Lepus, "secreto, Ut fertur, gloriosus miles." "Quid agis, Paxille?" Arena Exclamat, "pallor ora tenet! Vini spiritum sumas!" Sed Lepus Mustum rubrum afferri iubet. Id bibi, huic gratificatus, - Et grati saporis erat - Set liquit os roseus color, Nec genas posthac purpurat. Eius ex quo amplexus cognovi Secreto ab hoc milite Iactari, praependulae genae Perputuo, sunt niveae.


 

(Immortelle LXXII)

 

Bij een van de latere uitgaven waarschijnlijk een paar versjes uit de Atjineesche vertaling.

F.H

In 2003 is in de Harmonie in Leeuwarden een nieuwe Deltareeks-uitgave gepresenteerd, verzorgd door Marita Mathijsen en Dick Welsink, tegelijk met een nieuwe uitgave van 'De Roos van Dekema' van Jacob van Lennep. Mathijsen en Welsink hebben zich uitgebreid verdiept in de drukgeschiedenis van 'Snikken en grimlachjes'en namen daarover contact op meet Bouma. Het is de 54-ste druk geworden, een schooluitgave meegerekend. De gedichten zijn mooi, maar ook de inleiding, een levensschets van Piet Paaltjens, is op zich al een formidabel verhaal. Het zou waar kunnen zijn, maar tegelijk ook weer niet; het is net iets te dik aangezet. Er zijn raakvlakken tussen HaverSchmidt zelf en Paaltjens: beiden woonden boven een doodbidder, beiden hadden Fries bloed. HaverSchmidt heeft dit figuur van Piet Paaltjens echt tot leven gewekt. Dat ging vrij ver; zo is er een brief van Piet Paaltjens aan HaverSchmidt, die hij in een verdraaid handschrift heeft geschreven. Er zijn brieven van uitgever Roelants aan HaverSchmidt, of hij Piet Paaltjens toestemming wilde vragen voor een herdruk. Die uitgever deed dus mee in het spel.

Meerdere afbeeldingen van uitgegeven boekjes