Wat zei Francois Haverschmidt over Foudgum

Nadat op een proefpreek in Briels Nieuwland gen beroep volgde verbleef HaverSchmidt na zijn studie in Leiden bij zijn ouders in Leeuwarden hangen. Tot de gemeente Foudgum vrij kwam. In julie 1859 deed hij zijn intrede in Foudgum, een nogal kaal, op een terp gelegen dorp. Hij bleef er tot december 1862. Vooral in de eerste tijd moet HaverSchmidt zich bijzonder verdrietig hebben gevoeld, veel treuriger dan uit zijn voordracht blijkt die hij twintig jaar later in Schiedam hield en waarin hij bijna vriendelijk over zijn eerste gemeente sprak.

Uit een brief……

Het enige voordeel van Foudgum was, dat het niet zo ver van Leeuwarden lag. Iedere zondag na de dienst wandelde hij erheen, weer of geen weer. Zijn ouders woonden in Leeuwarden.

Eens- wat regende het toen! – aanvaardde ik toch de tocht. Ik had mijn hondje – Snuif was zijn naam – meegenomen. Het beest liep achter mij aan een touw, met druipende oren en druipende staart. En ik voelde wel dat het arme dier zo zwaar werd, hoe langer hoe zwaarder, zodat ik het haast niet meer mee kon krijgen, en in Leeuwarden gekomen, bleek het verdronken te zijn…. Verdronken in de regen!

Enige malen is HaverSchmidt in zijn preken en voordrachten op deze verdrietige tijd uit Foudgum teruggekomen. De eerste keer was het op 4 december 1875 bij een herdenking van Hans Andersen die op 4 augustus van dat jaar overleden was. Andersen fungeert voor hem in die tijd als een redder in de nood. Het is duidelijk dat hij met Andersen vlucht uit de grauwe werkelijkheid van Foudgum in een zonnig en milddadige wereld, waarin het goed altijd over het kwaad zegenviert en waarin het geluk steevast terechtkomt bij de armen, bij de verdrukten, de misdeelden en de eenvoudigen van geest. Andersen lezen betekende voor hem het beleven van een zuiver geluk, dat hem in Foudgum ontzegd was.

IK was pas student af en zag mij bijna plotseling overgeplaatst naar een heel klein en afgelegen boerendorpje om daar predikant te wezen (hij doelt hier natuurlijk op Foudgum). Ik deed mijn best, maar....efin, over mezelf behoef ik hier te vertellen. Alleen wil ik u wel zeggen dat ik dikwijls een erg verlaten gevoel had in mijn oude pastorie, waar niemand mij gezelschap hield behalve een dienstmeisje dat zeker niet minder haar best deed dan ik, maar die het daarom toch evenmin kon helpen als ze soms in haar eenzaam keukentje een deuntje zat te huilen. De herfst kwam en nam het laatste weinige moois uit mijn boerse bloementuin weg; we kregen koorts, om de beurten, de keukenmeid en ik en als er nooit eens een gezellig mens kwam om met mij te praten, dan stond ik weleens voor de pastorie en vroeg mistroostig of het maar niet beter was daar stilletjes begraven te liggen. Dat waren donkere, lelijke dagen.

Maar op een goeie morgen stuurt mij een boekverkoper opbezien (ik ben er de man nog dankbaar voor) 'de vertellingen en sprookjes'van Hans Andersen. Die kende ik zowat, maar ik had ze nog nooit aandachtig gelezen. Nu deed ik het ... en kijk, het was of de mist buiten optrok, of liever ik dacht om geen mist en geen kerkhof meer, ik vergat alles voor de nieuwe toverwereld waar de Deense sprookjesdichter mij binnenleidde. ... Mijn koorts ging over. De keukenmeid huilde niet langer in haar eentje. Ik had haar een paar van de sprookjes voorgelezen en toen ik zag dat ze er ook bij genoot, haar het boek te lezen gegeven. En toen kerstmis kwam, toen preekte ik van de Goede God die een welbehagen heeft in de mensen. En de boeren en boerinnen vonden dat dominee nooit zo mooi gepreekt had na zijn intree. En ik vond het zelf ook.

 

v.l.n.r: Meestershuis-kerk-pastorie

 

 

 

 

 

 

 

 

Over de tijd in Foudgum schrijft Dyserinck:

Onder zijn ambtgenoten in de buurt was er geen tot wie hij zich meer aangetrokken voelde dan tot de predikant van Waaxens en Brantgum, de eerwaarde Riedel, die HaverSchmidt - zoals de zoon J. Bruinwold Riedel schreef - in de wandeling 'vader' noemde. Met hem bracht hij dikwijls een bezoek op het huis Tjessens bij Mr. P.A. V. Baron van Harixma, kantonrechter te Holwerd. Deze, ongehuwd, had evenals de jonge Foudgumse leraar een scherp oog op 'het belachelijke van der mensen gedoe'. In de lange winteravonden werden allerlei literarische onderwerpen besproken, hetgeen voor HaverSchmidt een ware uitkomst en verkwikking was.

Er zijn drie brieven van HaverSchmidt bekend aan deze baron van Harinxma, uit het archief van de familie Harixma, berustend bij Tresoar te Leeuwarden. De twee eerste zijn beide van 14 juli 1862 waarin het over een afspraak voor een samenkomst gaat.

Hoogwelgeboren Heer! Gelijk de grote Niebuhr te Verona Gajus vond, zo vond ik de vrijmoedigheid om uw vriendelijke uitnodiging aan te namen. Dientengevolge hoop ik morgen de eer te smaken (!) U en Dr. Riedel in gezondheid te ontmoeten en er getuige van te zijn hoe uwe acht temperamenten verheugen in volmaakte harmonie van wijsheid en liefde. Uw dienstw. dienaar Fr. HaverSchmit.

In de derde brief van 10 oktober 1862 deelt hij Baron Harinxma op een ietwat overdreven-raillerende toon mee dat hij zich verloofd heeft met een Utrechts meisje (dat hij in de kring van zijn Tielse vrienden had ontmoet, waartoe ook Van Wessem behoorde).

Hoogwelgeboren Heer! De aangename verplichting rust op mij U officieel kennis te geven van een inconsequentie, ja van een verloochening van vroeger dikwijls in uw bijzijn uitgesproken principes, waaraan ik mij in jeugdige overmoed heb schuldig gemaakt.

Hoogwelgeboren Heer! ik ben geëngageerd. Misschien, zeker is het gerucht van deze gebeurtenis reeds vroeger tot U doorgedrongen, want sommige vertrouwde vrienden die ik er onder belofte van stilzwijgen oficieus kennis van gaf, hebben zich gehaast de zaak wereldkundig te maken.

..... Ik stel mij voor, Hoogwelgeboren Heer ! dat het U niet onversschillig zal zijn te weten aan wie ik de eer gehad heb hart en hand te geven. Mejuffrouw Jacoba Johanna Maria Ostie van Utrecht is het die zich wel tot mij heeft willen neerbuigen en mijn liefdesverklaringen genadig aannemen. Ik twijfel niet of U zult Haar prijzen, tenminste niet afkeuren. Ik voor mij - verzeker ik U - ben er allerverschrikkelijkst blij mee. Vergeef het mij Hoogwelgeboren Heer ! en heb de goedheid niettegenstaande het gebeuren mij de vriendschap te blijven schenken waarmede gij mij mijn verblijf te Foudgum zozwwe veraangenaamd hebt.

..... Ik dank U voor Uw attentie mij gesschonken bij mijn beroeping naar Den Helder. Als ik over een grote week vandaar en van Utrecht wederkeer, hoop ik spoedig persoonlijk mijn opwachting bij U te komen maken. Uw dienstwillige dienaar en hoogachtende vriend. Fr. HaverSchmidt.

terug naar bladzijde over F. Haverschmidt......